ECLI:NL:CRVB:2020:3293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 7 mei 2018
Appellante was sinds 15 februari 2016 in aanmerking gekomen voor een WW-uitkering en meldde zich op 9 mei 2016 ziek met diverse klachten. Zij ontving een Ziektewetuitkering (ZW) met een urenbeperking op basis van een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling. Op 21 januari 2018 vroeg zij een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde bij besluit van 29 maart 2018 vast dat zij per 7 mei 2018 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestond. Het bezwaar werd op 16 oktober 2018 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam oordeelde op 20 juli 2019 dat de medische rapportages zorgvuldig waren en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 september 2018 juist waren vastgesteld. De urenbeperking die eerder was aangenomen, was volgens de rechtbank terecht komen te vervallen. De deskundige verzekeringsarts kon zich vinden in deze beoordeling.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten en beperkingen niet waren afgenomen en dat de urenbeperking niet had mogen vervallen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat deze gronden een herhaling zijn van eerdere stellingen en onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De medische gegevens ondersteunen niet dat er meer beperkingen zijn dan in de FML zijn opgenomen. De Raad bevestigt dat appellante in staat is de geselecteerde functies te verrichten en wijst het hoger beroep af.
De proceskosten worden niet toegewezen. De uitspraak is gedaan door S. Wijna, in aanwezigheid van griffier H. Spaargaren, op 23 december 2020.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.