ECLI:NL:CRVB:2020:3248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verlaging WGA-vervolguitkering en mate van arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatst werkzaam als beveiliger, ontving een WGA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na een eerdere vaststelling van 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid, stelde het UWV deze bij op 50,95%, later verhoogd naar 64,67% na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze vaststelling ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld, onder meer door chronische aandoeningen zoals OSAS, tinnitus en diabetes type II. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe medische informatie had ingebracht en dat het UWV terecht alleen de beperkingen uit de Functionele Mogelijkhedenlijst van 17 oktober 2017 als uitgangspunt had genomen.
De Raad onderschreef de rechtbank in haar oordeel dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de WGA-vervolguitkering naar de klasse 55 tot 65% is terecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.