ECLI:NL:CRVB:2020:3241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die zich in 2014 ziekmeldde met psychische klachten, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidskundige rapporten vast dat appellant belastbaar was met beperkingen en niet geschikt voor zijn laatste werk, maar dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar en beroep van appellant werden ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet in staat was om te werken, wijzend op tegenstrijdigheden in de rapporten en zijn onvermogen om samen te werken of solitaire functies te vervullen. De Raad volgde dit niet, omdat de medische beperkingen en de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende waren onderbouwd en appellant niet beperkt was in samenwerken volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage op minder dan 35% had vastgesteld en de WIA-uitkering had geweigerd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.