ECLI:NL:CRVB:2020:323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-gemelde inkomsten uit onderverhuur en tussenpersoonactiviteiten
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een woning waar hij inkomsten uit onderverhuur had zonder dit te melden. Tevens fungeerde hij als tussenpersoon bij de verhuur van een andere woning, waarbij hij ook inkomsten ontving die niet waren gemeld. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand over twee periodes in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij slechts beperkte inkomsten had ontvangen en dat hij geen op geld waardeerbare activiteiten had verricht als tussenpersoon. De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden en dat hij niet aannemelijk had gemaakt welke bedragen hij precies had ontvangen of dat hij recht had op aanvullende bijstand.
De verklaringen van appellant waren inconsistent en er ontbraken objectieve en verifieerbare gegevens over de ontvangen bedragen. Ook de verklaringen van derden waren tegenstrijdig. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd wegens niet-gemelde inkomsten en onvoldoende aannemelijkheid van aanvullend recht.