ECLI:NL:CRVB:2020:3218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing schadevergoeding na verkeersongeval tijdens dienstreis ambtenaar
Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst, maakte op 20 april 2017 een dienstreis met zijn privéauto en veroorzaakte een aanrijding. Hij verzocht om vergoeding van de niet door de WA-verzekering gedekte schade. De staatssecretaris wees dit verzoek af, stellende dat het incident niet als dienstongeval kwalificeert vanwege schuld en onvoorzichtigheid van appellant. Tevens werd gesteld dat appellant meer dan incidenteel gebruikmaakte van zijn privéauto voor dienstreizen, waardoor de hoge kilometervergoeding als afdoende werd beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de staatssecretaris binnen zijn beoordelingsruimte bleef door de uitleg van 'incidenteel' als 'een enkele keer'. Appellant had in 2016 en 2017 meerdere dienstreizen met zijn privéauto gemaakt, wat de rechtbank voldoende vond om de afwijzing te rechtvaardigen. Ook werd geoordeeld dat de vergoeding voor bedrijfshulpverleners zich niet uitstrekt tot vervoer naar cursussen.
In hoger beroep bracht appellant geen wezenlijk nieuwe gronden aan. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en voegde toe dat het beleid van de staatssecretaris niet onredelijk is, zoals eerder bevestigd in een uitspraak uit 2000. Er werd geen aanleiding gezien voor toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van schade aan de privéauto tijdens een dienstreis wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd.