Appellant ontving een AOW-pensioen als alleenstaande. Na melding dat zijn partner met haar dochter op zijn adres stond ingeschreven, startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar zijn woonsituatie. Appellant vulde het daarvoor bestemde formulier niet tijdig in, ondanks herinneringen. De Svb besloot daarom het pensioen vanaf januari 2016 gedeeltelijk te schorsen.
Appellant voerde aan dat hij duidelijkheid had gegeven over zijn verblijfplaats, onder meer via een brief uit mei 2016 die de Svb echter niet ontving. Hij wilde vanwege veiligheidsoverwegingen geen verdere details verstrekken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn feitelijke verblijfplaats.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Svb terecht het pensioen gedeeltelijk schorste, omdat appellant niet concreet antwoord gaf op vragen over zijn verblijfplaats. De Raad laat in het midden of de brief van mei 2016 voldoende duidelijkheid bood, maar benadrukt dat de Svb deze niet kon meenemen in haar besluit. Ook is volgens de Raad de wettelijke basis voor de schorsing, artikel 19b AOW, aanwezig.
De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.