ECLI:NL:CRVB:2020:3199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eigen werk ondanks rugklachten
Appellante, werkzaam als medewerker medisch A, meldde zich in april 2017 ziek met rugklachten en ontving sindsdien Ziektewetuitkeringen. Na een medisch onderzoek door een verzekeringsarts werd zij per 26 februari 2018 geschikt bevonden voor haar laatst verrichte arbeid, waarna het UWV haar uitkering beëindigde. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen, en ook de rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij nog steeds ernstige rugpijn heeft, onder behandeling is en medicatie gebruikt. Zij verzocht om benoeming van een onpartijdige deskundige. Het UWV handhaafde het besluit en de Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts de medische gegevens, waaronder radiologische beelden en neuroloograpporten, adequaat had betrokken.
De Raad concludeerde dat appellante aspecifieke chronische rugpijn heeft, maar dat dit haar niet verhindert haar rugsparende werkzaamheden uit te voeren, die zittend of staand kunnen worden verricht met eigen pauzes. Omdat er geen twijfel bestond over haar geschiktheid, werd geen deskundige benoemd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.