ECLI:NL:CRVB:2020:3188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als tentenbouwer, werd door het UWV geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na diverse medische en arbeidskundige onderzoeken, waaronder een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 27,33%.
Appellant voerde bezwaar aan en overwoog dat zijn klachten ernstiger waren dan door het UWV werd aangenomen. Hij stelde dat het rapport van keuringsarts De Groot aanleiding gaf tot het inschakelen van een externe deskundige. De rechtbank wees dit bezwaar af, onder meer omdat appellant geen belemmeringen had ondervonden bij het onderbouwen van zijn standpunt en het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten en verzocht om een deskundige benoeming, verwijzend naar het arrest Korošec van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en toereikend was, dat alle klachten waren betrokken en dat er geen aanleiding was om het oordeel van het UWV te wijzigen. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen wegens het ontbreken van twijfel aan de medische beoordeling.
De Raad bevestigde daarmee de weigering van de WIA-uitkering per 3 oktober 2017, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Er werd geen aanleiding gezien voor het toewijzen van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.