ECLI:NL:CRVB:2020:3152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning ouderdomspensioen voor gehuwde pensioengerechtigde ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
Appellant was gehuwd en woonde met zijn echtgenote in Rusland. De SVB had hem in 2011 geïnformeerd dat hij bij pensioengerechtigde leeftijd een ouderdomspensioen voor een alleenstaande zou ontvangen. In 2016 vroeg appellant het ouderdomspensioen aan en kreeg hij een toekenning als gehuwde pensioengerechtigde. Hij maakte bezwaar en voerde aan dat de brief van 2011 gerechtvaardigde verwachtingen had gewekt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het belang van de SVB bij correcte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zwaarder woog dan het belang van appellant. Appellant stelde in hoger beroep dat de brief zijn keuze beïnvloedde om zijn echtgenote in Rusland te laten blijven vanwege mantelzorg, waardoor zij inkomen misliep.
De Raad overwoog dat de brief een aan de SVB toerekenbare toezegging inhield, maar dat het algemeen belang zwaarder woog dan het belang van appellant. Tevens was onvoldoende aannemelijk dat de brief gedragsbepalend was geweest en dat appellant daardoor schade had geleden. De zorgbehoefte van de schoonmoeder was doorslaggevend voor de situatie. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht een ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde is toegekend en verklaart het beroep ongegrond.