ECLI:NL:CRVB:2020:3144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending inlichtingenverplichting inzake bankrekeningen bedrijf
Appellant heeft een aanvraag voor bijstand ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is afgewezen omdat appellant onvoldoende inzicht gaf in zijn onderhoudssituatie.
Het geschil draait om de vraag of appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen inzage te geven in de bankrekeningen van bedrijf X. Appellant stelde dat het bedrijf niet meer actief was en dat de rekeningen als privérekening werden gebruikt door zijn broer, waardoor deze niet relevant zouden zijn voor de bijstand.
De Raad oordeelt dat het handelsregister de veronderstelling rechtvaardigt dat het bedrijf economisch actief is en toebehoort aan appellant als eigenaar en directeur. Appellant heeft geen objectief bewijs geleverd dat het bedrijf niet meer actief is of niet meer van hem is. Ook het argument dat hij niet over de bankrekeningen kan beschikken is niet aannemelijk gemaakt.
Door geen inzage te geven in de bankrekeningen heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant de inlichtingenverplichting schond door geen inzage te geven in de bankrekeningen van bedrijf X.