ECLI:NL:CRVB:2020:3142
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Herstel ontoereikende medische grondslag in WIA-uitkeringsbesluit na deskundigenrapport
Appellante, werkzaam als verzorgende IG, meldde zich in 2013 ziek met neurologische en psychische klachten. Het UWV stelde in 2015 een arbeidsongeschiktheid van 35,08% vast, later bijgesteld naar 29,73% in 2016. Appellante betwistte deze vaststelling en stelde dat zij meer beperkingen heeft, ondersteund door een medisch rapport van een verzekeringsarts.
De rechtbank oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, maar constateerde een gebrek in het besluit dat echter niet tot benadeling van appellante leidde. Appellante ging in hoger beroep en het onderzoek werd heropend met benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De deskundige concludeerde dat appellante meer beperkingen heeft dan het UWV had vastgesteld, met name door de erfelijke ziekte CADASIL en eerdere beroertes. De Raad volgde het deskundigenrapport vanwege de overtuigende motivering en oordeelde dat het bestreden besluit een ontoereikende medische grondslag heeft.
De Centrale Raad van Beroep draagt het UWV op om binnen 13 weken het besluit te herstellen in overeenstemming met het deskundigenrapport en de gevolgen daarvan voor de arbeidsongeschiktheid per 19 oktober 2015 te bezien.
Uitkomst: Het UWV moet binnen 13 weken het besluit over de arbeidsongeschiktheid van appellante herstellen op basis van het deskundigenrapport.