ECLI:NL:CRVB:2020:314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op kinderbijslag wegens ontbreken woonplaats in Nederland
Appellante ontving kinderbijslag voor haar drie kinderen en meldde in 2014 dat zij met haar kinderen naar het buitenland zou verhuizen vanwege de voetbalcarrière van haar oudste zoon en haar partner. Hoewel zij haar huis in Nederland aanhield en regelmatig terugkeerde, bleef zij met haar kinderen in het buitenland wonen, waar de jongste kinderen ook naar school gingen.
De Sociale verzekeringsbank beëindigde de kinderbijslag per het derde kwartaal van 2016, omdat appellante naar oordeel niet langer in Nederland woonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen duurzame persoonlijke band meer was met Nederland.
In hoger beroep herhaalde appellante dat zij wel ingezetene was, met als argument dat het verblijf in het buitenland voortkwam uit omstandigheden rondom haar kind en dat zij regelmatig in Nederland verbleef. De Raad oordeelde echter dat het centrum van haar belangen niet in Nederland lag, mede omdat zij onvoldoende onderbouwde hoe haar verblijf in Nederland eruitzag.
Op grond van Verordening (EG) 883/2004 is de wetgeving van de lidstaat van woonplaats van toepassing, en aangezien appellante haar woonplaats niet in Nederland had, was zij niet verzekerd voor de AKW. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellante had vanaf 1 juli 2016 geen woonplaats in Nederland en geen recht op kinderbijslag volgens de AKW.