ECLI:NL:CRVB:2020:3138
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep Ziektewet-uitkering
Verzoeker, werkzaam als verkoopmedewerker voor twintig uur per week, viel op 2 november 2015 uit en kreeg een Ziektewet-uitkering op voorschotbasis. Het UWV schortte en beëindigde de uitkering in 2016 wegens het niet reageren op verzoeken tot contact. Verzoeker stelde bezwaar, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening, maar de rechtbank Limburg vernietigde dit besluit en beval een nieuw besluit.
Het UWV verklaarde het bezwaar uiteindelijk ongegrond en achtte verzoeker geschikt voor zijn werk. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen schending van het equality of arms-beginsel was.
Verzoeker stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat het twee jaar na de datum in geding plaatsvond en onvolledig was. Hij vroeg een voorlopige voorziening vanwege onvoldoende inkomsten om noodzakelijke medische hulpmiddelen te bekostigen. De voorzieningenrechter overwoog dat hoewel verzoeker een spoedeisend belang had, het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was en er geen nieuwe medische informatie was die het eerdere oordeel onderbouwde.
Daarom was er geen redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak niet in stand zou blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was en geen redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand blijft.