ECLI:NL:CRVB:2020:3115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-indienen beroepsgronden
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg. Volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden.
De gemachtigde van appellant werd per brief van 20 februari 2020 verzocht dit verzuim binnen vier weken te herstellen, maar liet deze termijn ongebruikt voorbijgaan. Vervolgens werd bij aangetekende brief van 28 april 2020 opnieuw een termijn van vier weken gesteld om de beroepsgronden in te dienen, met de waarschuwing dat overschrijding zou leiden tot niet-inhoudelijke behandeling van de zaak.
De aangetekende brief werd niet afgehaald en opnieuw per gewone post verzonden, waarbij werd meegedeeld dat deze toezending geen nieuwe termijn opende. Ook deze termijn liet de gemachtigde ongebruikt voorbijgaan. Er is geen reden gebleken die het verzuim kan verontschuldigen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van beroepsgronden binnen de gestelde termijnen zonder verontschuldiging.