ECLI:NL:CRVB:2020:3111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ZW- en TW-uitkering wegens onverschuldigde betaling
Appellant was werkzaam als medewerker kassen en meldde zich op 10 februari 2016 ziek. Het UWV weigerde aanvankelijk een ZW-uitkering omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn werk. Later kende het UWV per 11 mei 2016 een ZW- en TW-uitkering toe, maar schortte deze in maart 2017 op omdat appellant ten onrechte arbeidsongeschikt was gemeld.
Het UWV vorderde vervolgens een bedrag van ruim €16.000 terug wegens onverschuldigde betaling van de ZW- en TW-uitkering over de periode van 11 mei 2016 tot 5 maart 2017. Appellant voerde aan dat terugvordering onterecht was omdat de toekenningsbesluiten niet eerst waren herzien en dat hem niet duidelijk was dat de uitkeringen abusievelijk waren toegekend.
De rechtbank oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten weten dat hij geen recht had op de uitkeringen vanaf 11 mei 2016 en dat de terugvordering niet in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat het UWV conform beleid en wetgeving heeft gehandeld. Dringende redenen om van terugvordering af te zien zijn niet gebleken. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de ZW- en TW-uitkering bevestigd.