ECLI:NL:CRVB:2020:311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkeringsbesluit na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant is sinds 25 maart 2011 arbeidsongeschikt voor zijn werk als financieel controller en ontving een WIA-uitkering op grond van 100% arbeidsongeschiktheid. Na een verzoek tot herbeoordeling door de voormalig werkgever, stelde het UWV op 10 november 2016 vast dat appellant meer arbeidsgeschikt is met een mate van 79,07% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van oktober 2016 en een arbeidsdeskundig onderzoek.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat het UWV zijn beperkingen onvoldoende had meegewogen en dat hij de geselecteerde functies niet kon vervullen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidsdeskundige beoordelingen zorgvuldig en inzichtelijk waren uitgevoerd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over de functie van administratief ondersteunend medewerker vanwege vermeende overschrijding van zijn belastbaarheid door storingen en onderbrekingen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de geselecteerde functies passend zijn, mede omdat de arbeidsdeskundige de belasting van de functies adequaat heeft gemotiveerd en onderbouwd.
De Raad concludeerde dat appellant met inachtneming van zijn beperkingen in staat is de drie functies te vervullen en dat het hoger beroep daarom geen doel treft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak van 21 maart 2018 wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot vaststelling van 79,07% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.