Uitspraak
18.4463 WSF
OVERWEGINGEN
juni 2017 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is bepaald dat het te veel ontvangen bedrag van € 1.248,12 maandelijks zal worden verrekend met haar studiefinanciering.
Centrale Raad van Beroep
Appellante kreeg in 2015 een studiefinancieringsschuld van €320,15 na een inschrijvingscontrole. Deze schuld werd in 2016 omgezet in een rentedragende lening. Later werd haar studiefinanciering over juni 2017 tot juli 2018 herzien, waarbij een te hoog ontvangen bedrag van €1.248,12 werd vastgesteld en deels verrekend.
Appellante stelde dat zij recht had op een hogere nabetaling en dat verrekening onterecht was, wat de minister betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellante onvoldoende onderbouwde dat de verrekening disproportioneel was.
In hoger beroep richtte appellante zich alleen nog tegen de verrekening van de schuld van €320,18. De minister gaf ter zitting aan deze verrekening niet te handhaven en bevestigde schriftelijk dat het bedrag alsnog aan appellante wordt uitbetaald. Hierdoor verviel het belang bij verdere beoordeling en werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, begroot op €2.100,-, en het griffierecht van €46,-.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister de verrekening van €320,18 intrekt en dit bedrag aan appellante zal uitbetalen.