ECLI:NL:CRVB:2020:3059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als helpende in de zorg en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%, die later werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een herbeoordeling stelde het UWV vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, waarbij aanvullende beperkingen werden vastgesteld, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het UWV de functies passend had gemotiveerd. Appellante bracht in hoger beroep geen nieuwe onderbouwing voor haar stelling dat haar functionele mogelijkheden waren overschat.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat het medisch onderzoek en de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage juist zijn uitgevoerd. Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de WGA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WGA-uitkering blijft gehandhaafd.