ECLI:NL:CRVB:2020:3046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 2015 een WGA-uitkering vanwege gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Na een melding van verslechtering van haar gezondheid in 2017 stelde het UWV op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waaruit bleek dat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot onder de 35%. Hierdoor werd haar WGA-vervolguitkering beëindigd per 1 februari 2019.
De rechtbank had het medisch onderzoek en de beoordeling van het UWV als zorgvuldig en juist beoordeeld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen waren onderschat, onder meer door toegenomen psychische klachten, vermoeidheid, hartklachten en hypothyreoïdie, en dat het UWV onterecht haar uitkering verlaagde. Ook stelde zij dat het verbod van reformatio in peius en het rechtszekerheidsbeginsel waren geschonden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de rechtbank in haar oordeel. De medische beperkingen waren adequaat in de FML verwerkt, en de vermeende toename van klachten was onvoldoende onderbouwd met medische gegevens. De urenbeperking was terecht niet aangenomen. Het verbod van reformatio in peius was niet van toepassing omdat de uitkering niet verslechterde na bezwaar. Het rechtszekerheidsbeginsel stond een herbeoordeling en beëindiging van de uitkering per toekomstige datum niet in de weg.
De Raad concludeerde dat de functies die voor appellante waren geselecteerd medisch passend waren en dat de arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld op minder dan 35%. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WGA-vervolguitkering van appellante terecht heeft beëindigd per 1 februari 2019 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.