Uitspraak
19 2094 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als doktersassistente, kreeg een WIA-uitkering toegekend vanwege arbeidsongeschiktheid na een hersenbloeding in 2016. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 52,69%, later bij bezwaar aangepast naar 48,38%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) juist was opgesteld.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar vermoeidheidsklachten en dat een verdere urenbeperking noodzakelijk was, onderbouwd met een brief van haar neuroloog. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige het onderzoek zorgvuldig hadden uitgevoerd, dat de vermoeidheidsklachten waren betrokken in de beoordeling en dat de FML adequaat was gemotiveerd.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat de arbeidsdeskundigen voldoende hebben gemotiveerd dat appellante in staat is de geselecteerde functies te vervullen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 48,38%.