Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:3004

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2020
Publicatiedatum
1 december 2020
Zaaknummer
20/1727 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-gemelde prostitutieactiviteiten

Appellante ontvangt sinds 1 maart 2018 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een melding van de politie dat zij tegen betaling seksuele diensten zou aanbieden, startte een handhavingsmedewerker een onderzoek. Dit onderzoek leidde tot het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om het recht op bijstand met ingang van 1 maart 2018 in te trekken en de bijstandskosten van ruim €15.000 terug te vorderen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij slechts vijf afspraken had met klanten, waaruit zij gemiddeld €100 per keer ontving, zodat het recht op bijstand wel vastgesteld kon worden. De Raad oordeelde echter dat appellante deze stelling onvoldoende had onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Uit het dossier bleek een beeld van meer activiteiten, onder meer vijftien afspraken via één website en onduidelijkheid over andere profielen en klanten.

De Raad concludeerde dat het college terecht het recht op bijstand niet, ook niet schattenderwijs, kon vaststellen. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

20 1727 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 17 november 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2020, 19/5181 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.A. Chedie, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. S. Ben Ahmed, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Appellante heeft gereageerd op schriftelijke vragen van de Raad.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 1 maart 2018 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een melding van de politie, dat appellante tegen betaling seksuele diensten zou aanbieden, is een handhavingsmedewerker van de afdeling sociale zaken van de gemeenschappelijke regeling IJSSELgemeenten een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. In dat kader heeft de handhavingsmedewerker onder meer kennis genomen van een rapport van de politie van 6 december 2018, onderzoek op internet verricht, bij appellante stukken opgevraagd en met appellante gesprekken gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 april 2019.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 12 april 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 september 2019 (bestreden besluit), het recht op bijstand met ingang van 1 maart 2018 in te trekken en de over de periode van 1 maart 2018 tot 1 februari 2019 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.003,19 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden als prostituee heeft verricht. Omdat appellante geen verifieerbare bewijsstukken van de omvang van haar activiteiten heeft overgelegd, kan het recht op bijstand niet vastgesteld worden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 maart 2018 tot en met 12 april 2019.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de te beoordelen periode werkzaamheden als prostituee heeft verricht en zij daarvan geen melding heeft gemaakt aan het college. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of het recht op bijstand over de te beoordelen periode kan worden vastgesteld.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt wat de omvang van haar activiteiten als prostituee waren en welke inkomsten zij daaruit heeft genoten. Uit het in het rapport van 12 april 2019 opgenomen overzicht van vooral chatgesprekken kan volgens appellante worden afgeleid dat in de periode van 1 maart 2018 tot en met 30 november 2018 in totaal zestien klanten contact met haar hebben opgenomen. Appellante heeft betoogd dat het daarbij slechts in vijf gevallen afspraken heeft gehad, waaruit inkomsten zijn voortgevloeid en dat zij gemiddeld € 100,- per keer heeft ontvangen. Het college kan, eventueel schattenderwijs, het recht op bijstand over de te beoordelen periode vaststellen.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante haar standpunt dat zij slechts vijf afspraken heeft gehad waarvoor zij gemiddeld € 100,- per afspraak heeft ontvangen niet heeft onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens en dat uit het dossier een beeld van meer activiteiten naar voren komt. Uit de door appellante op 1 maart 2019 overgelegde uitdraaien van chatgesprekken met klanten die via website X contact met haar hebben opgenomen blijkt dat het daar om zo’n vijftien afspraken gaat. Daar komt bij dat appellante op 26 februari 2019 heeft verklaard dat zij al vijf jaar werkt als prostituee, zij de laatste drie jaren actiever is, zij profielen heeft op twee websites (website X en website Y) en het merendeel van haar klanten via website X contact met haar opnemen. Appellante heeft geen informatie verstrekt over haar afspraken die via haar profiel op website Y tot stand zijn gekomen. Ook blijkt uit het rapport van 12 april 2019 dat appellante op website X nog een tweede profiel heeft. Ook daarover heeft zij geen informatie verstrekt. Voor het standpunt van appellante dat zij uit deze profielen geen klanten heeft verkregen heeft zij geen onderbouwing geleverd. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet, ook niet schattenderwijs, kan worden vastgesteld.
4.5.
Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2020.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) D. Bakker