ECLI:NL:CRVB:2020:289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over motiveringsgebrek bij weigering Wajong-uitkering wegens onduidelijkheid arbeidsvermogen
Appellante, geboren in 1997, vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege een licht verstandelijke beperking en angststoornis. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellante geen duurzaam arbeidsvermogen heeft; zij kan niet één uur aaneengesloten actief zijn zonder substantiële onderbrekingen en heeft permanente begeleiding nodig.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond het medisch onderzoek zorgvuldig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde dat appellante in bepaalde deeltaken één uur zonder begeleiding kan werken, waardoor sprake zou zijn van enig arbeidsvermogen.
In hoger beroep betoogde appellante dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zij veel specialistische begeleiding nodig heeft. De Raad beoordeelde dat uit de stukken onvoldoende duidelijk blijkt of het UWV het standpunt huldigt dat appellante één uur aaneengesloten kan werken of dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.
Daarom oordeelt de Raad dat het bestreden besluit niet voldoet aan het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 Awb Pro. Het UWV wordt opgedragen het motiveringsgebrek te herstellen door duidelijkheid te verschaffen over het arbeidsvermogen van appellante en ontbrekende stukken in te dienen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het motiveringsgebrek in het besluit te herstellen door duidelijkheid te verschaffen over het arbeidsvermogen van appellante.