ECLI:NL:CRVB:2020:2884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als bedrijfsleidster, meldde zich ziek met cognitieve klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het Uwv weigerde deze uitkering per 2 januari 2017 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 december 2016.
Appellante maakte bezwaar en bracht een deskundigenoordeel in, maar het Uwv handhaafde het besluit. De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die het FML bevestigde na een zorgvuldig en consistent onderzoek, waarbij alle relevante medische informatie werd betrokken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de deskundige onvoldoende rekening hield met haar cognitieve en schouderklachten en dat het besluit in strijd was met de Maoc-richtlijn. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat het deskundigenrapport deugdelijk was en dat er geen reden was om te twijfelen aan de medische beoordeling. Ook de geschiktheid van de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd, werd bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het Uwv tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.