Appellanten kregen een boete opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wegens het niet tijdig melden dat hun inwonende dochter haar studie had beëindigd. Het college stelde dat sprake was van normale verwijtbaarheid, wat leidde tot een boete van 50% van het benadelingsbedrag.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat appellanten via een e-mail van hun dochter op 15 december 2016 de juiste informatie over haar afstuderen reeds hadden verstrekt, voordat het college de schending van de inlichtingenverplichting constateerde. Deze informatie was niet verstrekt in het kader van toezicht, waardoor sprake is van verminderde verwijtbaarheid volgens artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit over de hoogte van de boete, stelde de boete vast op 25% van het benadelingsbedrag (€150,75) en veroordeelde het college in de proceskosten van appellanten. Tevens werd het betaalde griffierecht vergoed.