ECLI:NL:CRVB:2020:2853
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep wegens gebrek aan belang na beslissing UWV
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam met betrekking tot een WIA-zaak. Het UWV nam op 6 juli 2018 een beslissing op bezwaar die betrekking had op andere materie dan de aangevallen uitspraak. Hierdoor had appellante geen belang meer bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak en trok zij het hoger beroep in.
Namens appellante werd verzocht het UWV te veroordelen in de proceskosten. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat artikel 8:75a van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan alleen kan worden veroordeeld in de kosten als het geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan de indiener van het beroepschrift. Omdat het UWV met de beslissing op bezwaar niet tegemoet was gekomen in de zin van deze bepaling, werd het verzoek afgewezen.
Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten en de zaak werd op 18 november 2020 in het openbaar beslist door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep. De Raad wees het verzoek om proceskostenveroordeling af en verklaarde het hoger beroep ingetrokken wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: Het verzoek om het UWV te veroordelen in de proceskosten wordt afgewezen en het hoger beroep wordt geacht ingetrokken wegens gebrek aan belang.