ECLI:NL:CRVB:2020:2827

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2020
Publicatiedatum
16 november 2020
Zaaknummer
19/2350 AOW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-betaling griffierecht in hoger beroep AOW-uitkering

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een AOW-uitkering, maar het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald. De Raad heeft het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft vervolgens verzet gedaan tegen deze beslissing en gesteld dat zij het griffierecht wel tijdig heeft betaald en het hoger beroep tijdig heeft ingesteld.

Tijdens de zitting voor het verzet zijn partijen niet verschenen. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat appellante geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aantonen dat zij niet in verzuim was met de betaling van het griffierecht. Daarnaast is in de financiële administratie van de Raad geen betaling aangetroffen en heeft appellante geen bewijsstukken overgelegd.

Daarom is het verzet ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter C.H. Bangma in aanwezigheid van griffier R.H. Koopman op 13 november 2020.

Uitkomst: Het verzet van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bewijs van tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 november 2020
19/2350 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2019, 18/4187 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 15 januari 2020 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 oktober 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 15 januari 2020 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft appellante - voor zover hier van belang - te kennen gegeven dat zij het griffierecht heeft betaald en tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
Appellante heeft in verzet geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. In de financiële administratie van de Raad is geen door of namens appellante gedane betaling aangetroffen. Appellante heeft de gestelde betaling van het griffierecht niet met bewijsstukken onderbouwd.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2020.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) R.H. Koopman
GdJ
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale) déclare le recours non fondé.
Par conséquent, décidée par C.H. Bangma, en présence de R.H. Koopman en qualité de greffier. Ainsi que prononcée en public, 13 novembre 2020