Uitspraak
19 874 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
14 november 2017 ook al in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 29 oktober 2013 bijstand op grond van de Participatiewet. Deze bijstand werd ingetrokken per 18 augustus 2017 wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens. Appellant diende bezwaar in en leverde alsnog gegevens aan, maar stelde pas op 14 november 2017 een nieuwe aanvraag bij het dagelijks bestuur.
Het dagelijks bestuur handhaafde de intrekking en verleende bijstand opnieuw met ingang van 14 november 2017. Appellant vorderde bijstand met terugwerkende kracht tot 18 augustus 2017, stellende dat hij door onjuiste informatie van het bestuur niet tijdig een nieuwe aanvraag had ingediend en dat hij reeds in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
De Raad oordeelde dat bijstand in principe niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij door het bestuur werd belemmerd of niet in staat was tijdig een aanvraag te doen. Het feit dat hij later alsnog stukken aanleverde in bezwaar doet hier niet aan af. Ook het argument dat hij en zijn echtgenote al eerder bijstandbehoevend waren, werd verworpen omdat dit geen bijzondere omstandigheid is om af te wijken van het uitgangspunt.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.