Appellant ontvangt bijstand sinds 1996 en werd in het kader van een heronderzoek geconfronteerd met niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening in de periode september 2015 tot mei 2016. Het college herzag het recht op bijstand en vorderde €626,72 terug wegens te veel ontvangen bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de kasstortingen terug te voeren waren op eerdere geldopnames, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken met controleerbare gegevens. Het college handhaafde haar standpunt dat kasstortingen in beginsel als inkomen worden beschouwd tenzij de herkomst aannemelijk wordt gemaakt.
Appellant voerde tevens aan dat het college een gewijzigd beleid hanteert ten aanzien van geringe stortingen, maar de Raad concludeerde dat hiervan geen sprake is. De Raad bevestigde dat de stortingen en bijschrijvingen als middelen in de zin van de Participatiewet in aanmerking moeten worden genomen en wees het verzoek tot schadevergoeding af.