Uitspraak
16.8018 WAO
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam geweest als isoleerder, ontvangt sinds 1998 een WAO-uitkering wegens een persoonlijkheidsstoornis, duizeligheid en diabetes mellitus. Hij meldde zich per 15 april 2013 toegenomen arbeidsongeschikt, maar het UWV weigerde herziening van de uitkering omdat de toename van beperkingen het gevolg was van een andere oorzaak dan de oorspronkelijke ziekte.
Na bezwaar en beroep werden verschillende medische onderzoeken uitgevoerd, waaronder een rapport van een onafhankelijk verzekeringsarts. Deze concludeerde dat de datum van toegenomen beperkingen arbitrair moest worden vastgesteld op 1 juli 2014, gebaseerd op een MRI-onderzoek in Turkije, en niet op de door appellant geclaimde datum van 15 april 2013.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak, oordelend dat het rapport van de onafhankelijke deskundige overtuigend was en dat appellant onvoldoende onderbouwing bood voor zijn stelling dat de beperkingen al per 15 april 2013 waren toegenomen.
De Raad concludeerde dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellant en dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak zoals bedoeld in artikel 37 van Pro de WAO. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering ongewijzigd blijft wegens geen toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.