ECLI:NL:CRVB:2020:2744
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering op grond van voldoende medische grondslag bevestigd
Appellante, werkzaam als wijkverpleegkundige, meldde zich ziek na een auto-ongeluk en kreeg een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Het UWV stelde na bezwaar en beroep de arbeidsongeschiktheid bij op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast op minder dan 35%, waarna de uitkering werd beëindigd. De rechtbank benoemde een revalidatiearts, die twijfels had, waarna een verzekeringsarts rapporteerde dat appellante gemiddeld 8 uur per dag kan werken, ondanks klachten.
De rechtbank gaf doorslaggevende betekenis aan dit rapport en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening hield met haar pijn en vermoeidheid, maar de Raad volgde het oordeel van de deskundige en het UWV dat de medische grondslag voor de beëindiging voldoende is.
De Raad concludeert dat het hoger beroep faalt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, zonder aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.