ECLI:NL:CRVB:2020:2713
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, vroeg een WIA-uitkering aan wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV weigerde deze uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd werd beoordeeld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het proces onzorgvuldig was, dat zijn psychische klachten ernstiger waren dan aangenomen en dat de verzekeringsarts onterecht waarde hechtte aan een psychiater die hij niet als zodanig had bezocht. De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat de medische onderbouwing overtuigend was en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling was gebaseerd passend waren.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende nieuwe medische gegevens had aangeleverd om het oordeel van de verzekeringsartsen te betwijfelen. De stelling dat de psychiater niet in zijn hoedanigheid was geraadpleegd werd verworpen. Het verzoek tot benoeming van een medisch deskundige werd afgewezen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.