Appellante, bekend met functionele neurologische stoornissen, vroeg langdurige zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees de aanvraag af omdat geen blijvende somatische grondslag en geen blijvende behoefte aan 24-uurs zorg kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het medisch advies en de DSM-5 als onderbouwing werden gehanteerd. Appellante stelde in hoger beroep dat haar situatie een eindtoestand had bereikt en dat de rechtbank verouderde informatie gebruikte.
De Raad oordeelde dat het CIZ terecht uitging van de adviezen van medisch adviseurs die stelden dat verbetering mogelijk is en dat adequate behandeling noodzakelijk blijft. Het motiveringsgebrek in het bestreden besluit werd gepasseerd omdat appellante hierdoor niet werd benadeeld.
Het hoger beroep werd afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het CIZ werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.