ECLI:NL:CRVB:2020:27
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2011 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering vanwege lichamelijke klachten aan de rechterlichaamshelft. Na een herbeoordeling in 2016 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%, waarop de uitkering werd voortgezet.
De ex-werkgever maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat de arbeidsongeschiktheid volledig en duurzaam was. Een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek leidde tot een Functionele Mogelijkhedenlijst van maart 2017, waarin minder beperkingen werden vastgesteld en de arbeidsongeschiktheid op 0% werd gesteld. Het UWV trok daarop de uitkering per 4 augustus 2017 in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat in kaart waren gebracht. In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was vanwege de korte duur, maar de Raad oordeelde dat dit onvoldoende is om het onderzoek als onzorgvuldig te bestempelen.
De Raad bevestigde dat de medische en arbeidskundige beoordeling juist was en dat er geen nieuwe gegevens waren die de eerdere conclusies ondermijnden. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WIA-uitkering per 4 augustus 2017 na een zorgvuldige herbeoordeling.