Uitspraak
20 december 2019, 19/2678 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De Centrale Raad van Beroep heeft appellant meerdere malen schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €131,- en de termijn waarbinnen dit betaald moest worden. Appellant deed een beroep op betalingsonmacht, maar heeft niet voldaan aan de vereisten om dit beroep te onderbouwen, waaronder het niet tijdig en volledig invullen van een formulier en het niet reageren op verzoeken om actuele inkomensgegevens.
De Raad heeft de inkomensverklaring opgevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand, maar de gegevens bleken niet actueel. Appellant reageerde niet op het verzoek om aanvullende informatie. Na afwijzing van het beroep op betalingsonmacht ontving appellant een nieuwe nota griffierecht met een betalingstermijn, maar deze is niet voldaan. De aangetekende brief met de nota werd niet afgehaald, terwijl het adres correct was geregistreerd.
De Raad heeft appellant opnieuw aangetekend gewezen op de betaling en de gevolgen van niet-betaling, maar het griffierecht is niet betaald. Op grond hiervan is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke op 3 november 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.