Uitspraak
3 april 2020, 19/5833 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland. De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat het griffierecht, dat volgens de Awb binnen een bepaalde termijn voldaan moest worden, niet tijdig is betaald. Ondanks meerdere aanmaningen is het griffierecht niet ontvangen binnen de gestelde termijnen.
Op grond van artikel 8:41 en Pro 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht is het betalen van griffierecht een vereiste voor ontvankelijkheid van het hoger beroep. De Raad heeft op basis van de beschikbare gegevens geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest en het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is.
De Raad heeft het hoger beroep zonder verdere inhoudelijke behandeling afgewezen en geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter A.M. Overbeeke in aanwezigheid van griffier N. Khachatryan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.