Uitspraak
19.1690 WIA
18 maart 2019, 18/1830 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
29 februari 2016.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin zijn dagloon en eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor de WIA-uitkering zijn vastgesteld. Het UWV had het dagloon vastgesteld op €65,13 en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 29 februari 2016.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel. Uit medische gegevens, bedrijfsartsrapporten en ziekteverzuimoverzichten blijkt dat appellant zich pas op 29 februari 2016 ziek heeft gemeld, en eerdere ziekteperioden niet aaneengesloten waren. De stelling van appellant dat hij om medische redenen minder uren is gaan werken, is niet onderbouwd met objectieve medische gegevens.
De Raad overweegt verder dat het begrip 'medische afzakker' niet relevant is voor de bepaling van het dagloon, maar alleen voor de maatman. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het dagloon en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt bevestigd.