Appellante, werkzaam als jobcoach, meldde zich in januari 2014 ziek met pijn- en vermoeidheidsklachten. Het UWV kende haar een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van circa 58,60%. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per juni 2016 handhaafde het UWV de uitkering na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing en voerde aan dat haar vermoeidheidsklachten onvoldoende waren meegewogen, waardoor een verdergaande urenbeperking noodzakelijk was. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de functionele mogelijkheden juist waren vastgesteld op basis van medische rapporten, waaronder die van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een reumatoloog.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beperkingen in de FML-rubrieken 3, 4 en 5 toegelicht en een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week als passend beoordeeld. Er was geen medisch objectief bewijs voor een zwaardere beperking. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de functionele mogelijkheden en de geschiktheid van de geselecteerde functies adequaat waren vastgesteld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.