ECLI:NL:CRVB:2020:2624
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 43,16% in WIA-procedure
Appellant, voormalig montagemedewerker, meldde zich in 2012 ziek met psychische klachten en later ook lichamelijke klachten. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 80-100% vast, die in 2016 werd herzien naar 43,16%. Appellant maakte bezwaar tegen deze herbeoordeling, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Gelderland benoemde een deskundige die bevestigde dat appellant beperkingen had conform de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), met een aanvullende beperking op het uiten van eigen gevoelens. De rechtbank oordeelde dat het UWV deze beperkingen juist had verwerkt en dat er geen medische grondslag was voor een verdere urenbeperking dan reeds aangenomen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank de medische grondslag onjuist had beoordeeld en onvoldoende rekening had gehouden met de conclusie van de deskundige over een verdere urenbeperking. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze interpretatie onjuist was en volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de vaststelling van 43,16% arbeidsongeschiktheid bevestigd.
Uitkomst: De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 43,16% door het UWV wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.