ECLI:NL:CRVB:2020:2615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering wegens juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig productiemedewerker, ontving een WGA-vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid tussen 35% en 45%. Na herbeoordeling door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat appellant belastbaar was binnen de beperkingen van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van november 2016. Het UWV beëindigde daarom de uitkering per 1 februari 2017.
De rechtbank vernietigde dit besluit deels vanwege een gewijzigde functieduiding en stelde de beëindiging vast op 9 oktober 2017. De medische beoordeling werd echter onderschreven, waarbij klachten van appellant onvoldoende aanleiding boden om de FML aan te passen. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn lichamelijke en psychische klachten zwaarder wogen dan vastgesteld, maar kon dit niet onderbouwen met medische stukken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de FML en de arbeidskundige beoordeling. De klachten en vermeende beperkingen waren al betrokken in de beoordeling en er was geen bewijs van verslechtering. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de beëindiging van de WGA-vervolguitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-vervolguitkering terecht is beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.