ECLI:NL:CRVB:2020:2544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als verzorgende voor 20 uur per week, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat haar arbeidsongeschiktheid 32,58% bedroeg, wat onvoldoende is voor een uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functionele beperkingen juist waren vastgesteld, inclusief rekening houdend met COPD, jichtaanvallen en visusklachten. Ook werd haar opleidingsniveau correct ingeschat.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunten, maar kon zij haar klachten niet met medische gegevens onderbouwen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV dat de beperkingen en belastbaarheid juist waren vastgesteld. De weigering van de WIA-uitkering werd daarom bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.