ECLI:NL:CRVB:2020:2520
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet verschijnen en onduidelijke woonsituatie
Appellant diende op 20 oktober 2017 een aanvraag om bijstand in met als ingangsdatum 5 juli 2017, de datum waarop zijn Ziektewetuitkering eindigde. Hij gaf een adres op waar hij stond ingeschreven, maar verklaarde ook tijdelijk op dat adres te verblijven en elders te wonen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam kende twee voorschotten toe, maar startte een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie vanwege de onduidelijkheid en het aantal personen dat op het adres stond ingeschreven.
Appellant werd uitgenodigd voor gesprekken op 29 november en 1 december 2017 om zijn verblijfadressen toe te lichten, maar verscheen niet en leverde de gevraagde gegevens niet aan. Het college wees de aanvraag af wegens het niet nakomen van de medewerkingsplicht, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Tevens werd het reeds verstrekte voorschot teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij de uitnodigingen niet had ontvangen en dat hij niet op het opgegeven adres woonde. De Raad oordeelde dat de uitnodigingen persoonlijk op het opgegeven adres waren bezorgd en dat appellant verantwoordelijk was voor het doorgeven van een adreswijziging. Er was geen grond voor doorverwijzing naar het Daklozenloket. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen vanwege het niet verschijnen op oproepen en het niet verstrekken van noodzakelijke informatie over de woonsituatie.