ECLI:NL:CRVB:2020:251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belanghebbende bij terugvordering persoonsgebonden budget na overlijden
Betrokkene ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2011 en 2012, waarbij de zorg mede werd verleend door appellante. Het zorgkantoor stelde het pgb over 2011 vast op nul en vorderde een bedrag van €63.326,05 terug. Tevens werd het pgb ingetrokken per 1 december 2012. Betrokkene overleed in 2016. Appellante stelde beroep in tegen de besluiten, maar de rechtbank verklaarde dit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een rechtstreeks belang.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij door de terugvordering en intrekking financieel werd geraakt. De Raad oordeelde dat het belang van appellante voortvloeit uit haar relatie met betrokkene en dat zij geen zelfstandig, rechtstreeks belang heeft bij de besluiten. Het zorgkantoor bevestigde dat de besluiten niet tot een vordering jegens appellante leiden.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtstreeks belang.