ECLI:NL:CRVB:2020:25
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging arbeidsongeschiktheidspercentage en verdiencapaciteit in WIA-uitkering
Appellante was sinds 2008 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Na een verslechtering van haar medische situatie vroeg zij om een IVA-uitkering, maar het UWV stelde een lagere mate van arbeidsongeschiktheid vast en beëindigde haar WGA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en kreeg gedeeltelijk gelijk, waarbij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 54% werd vastgesteld met een verdiencapaciteit van €889,90.
De rechtbank oordeelde later dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd en stelde het percentage bij op 73,29% met een verdiencapaciteit van €516,26. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en betwistte vooral de beperkingen op samenwerken en contact met collega’s. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die concludeerde dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
De Raad verwierp de bezwaren van appellante, ook haar twijfel aan de objectiviteit van de deskundige werd ongegrond verklaard. De geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarmee het arbeidsongeschiktheidspercentage en de verdiencapaciteit ongewijzigd bleven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de arbeidsongeschiktheid van 73,29% met een verdiencapaciteit van €516,26 per maand wordt bevestigd.