ECLI:NL:CRVB:2020:2485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2016
Appellant, werkzaam als pijpfitter/ijzerwerker, meldde zich ziek met fysieke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek en arbeidsdeskundig advies vast dat appellant per 1 maart 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor de aanvraag werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellant niet zodanig waren dat hij recht had op een WIA-uitkering.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, waaronder allergieën en een huidaandoening, waren onderschat en dat hij op de datum in geding ernstiger beperkt was. Hij verwees naar latere medische rapporten en een gewijzigde beoordeling door het UWV in 2018. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor een zwaardere beperking per 1 maart 2016. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de functies die appellant kon vervullen medisch geschikt waren.
De Raad verwierp het beroep en bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien tot nader onderzoek en de proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter T. Dompeling op 15 oktober 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de WIA-uitkering per 1 maart 2016 wordt bevestigd.