ECLI:NL:CRVB:2020:2451
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante, voormalig medewerker ICT, meldde zich ziek na haar bevalling in januari 2016. Het UWV stelde op 6 juni 2016 vast dat zij geen recht meer had op een Ziektewetuitkering omdat er geen toegenomen beperkingen waren vastgesteld. Na bezwaar werd het besluit bevestigd dat de uitkering per 6 juni 2016 werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrouwbaar was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat haar arbeid zwaarder was dan erkend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts zorgvuldig onderzoek had gedaan en overtuigend had geconcludeerd dat appellante geschikt was haar eigen arbeid te verrichten per 6 juni 2016. Nieuwe medische gegevens werden niet ingebracht. Ook de arbeidskundige rapporten gaven een goed beeld van de werkzaamheden. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 6 juni 2016 wegens geschiktheid tot eigen arbeid.