ECLI:NL:CRVB:2020:2387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakmedewerkster, meldde zich ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij slechts 16,98% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat zij meer arbeidsongeschikt is dan vastgesteld, met klachten zoals depressie, pijn in armen, handen, been, hoofdpijn en rugklachten. De Raad oordeelt dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld en dat de subjectieve klachtenbeleving niet doorslaggevend is zonder medische onderbouwing.
De Raad onderschrijft de eerdere overwegingen dat de beperkingen objectief zijn vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.