ECLI:NL:CRVB:2020:2380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet-wonen binnen gemeente Súdwest-Fryslân bevestigd
Appellant ontving sinds 2011 bijstand en stond ingeschreven op een adres in de gemeente Súdwest-Fryslân. Na een melding dat appellant sinds circa twee jaar bij zijn vriendin in Noord-Holland verbleef, voerde het college een onderzoek uit. Dit onderzoek bestond uit waarnemingen, dossier- en internetonderzoek, huisbezoek en verklaringen van buurtbewoners. Het college concludeerde dat appellant zijn hoofdverblijf buiten de gemeente had en trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 29 maart 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende waren om te concluderen dat hij zijn hoofdverblijf buiten de gemeente had en dat hij toestemming had voor verblijf buiten de gemeente in verband met revalidatie. De Raad oordeelde dat appellant daadwerkelijk het merendeel van de nachten bij zijn vriendin verbleef, dat hij een huisarts en apotheek in die regio had en dat verklaringen van buurtbewoners dit bevestigden.
Verder wees de Raad het beroep af dat appellant op basis van toestemming voor kortdurend verblijf mocht vertrouwen op toestemming voor langdurig verblijf. Ook het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen werd verworpen, omdat appellant onvoldoende onderbouwing leverde. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de terugvordering wegens verblijf buiten de gemeente.