ECLI:NL:CRVB:2020:2353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid van 45% tot 55%
Appellant was werkzaam als production operator en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na het einde van zijn dienstverband werd hij door het Uwv in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering, die later overging in een WGA-vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35% tot 45%.
Appellant verzocht om herbeoordeling wegens toegenomen klachten. Na medisch en arbeidskundig onderzoek beëindigde het Uwv de uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% zou zijn. Het bezwaar van appellant werd gegrond verklaard en het Uwv herzag het besluit, waarbij de uitkering werd voortgezet op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45% tot 55%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de arbeidskundige beoordeling voldoende was gemotiveerd. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, alle klachten waren meegewogen en dat de geselecteerde functies passend waren.
De Raad bevestigde de voortzetting van de WGA-vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45% tot 55%. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De WGA-vervolguitkering wordt terecht voortgezet op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45% tot 55%.