ECLI:NL:CRVB:2020:2338
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks vermoeidheidsklachten
Appellante, geboren in 1988, ontvangt sinds 2008 een Wajong-uitkering vanwege vermoeidheidsklachten en chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Het Uwv stelde in 2016 vast dat zij arbeidsvermogen heeft, waardoor haar uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het Uwv terecht had vastgesteld dat appellante ten minste vier uur per dag belastbaar is en een uur aaneengesloten kan werken. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst het hoger beroep af. De medische rapporten van de verzekeringsartsen wegen zwaarder dan de door appellante overgelegde stukken, waaronder een brief van internist dr. J. Vernooij en rapporten van een bedrijfsarts en het CVS ME Medisch Centrum.
De Raad stelt vast dat de klachten van appellante onvoldoende medisch objectief zijn onderbouwd om het standpunt van het Uwv te weerleggen. Ook is geen aanleiding een deskundige in te schakelen. De verlaging van de Wajong-uitkering is daarom terecht en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018 wordt bevestigd.