ECLI:NL:CRVB:2020:2314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet-nakoming inlichtingenverplichting
Appellante ontving sinds 2006 bijstand en vroeg toestemming voor vakantie in het buitenland. Het college verleende toestemming maar vroeg om het rechtmatigheidsonderzoeksformulier (rofje) en bewijsstukken over de vakantie in te leveren. Appellante leverde deze niet tijdig in, waarna het college de bijstand opschortte en vervolgens introk met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet.
Appellante stelde dat het college bij de heroverweging in bezwaar rekening had moeten houden met de alsnog ingediende stukken, en dat de intrekking onevenredig was gezien de gevolgen voor haar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat het college bij de intrekking alleen de situatie op het moment van het verstrijken van de hersteltermijn hoeft te beoordelen en niet de later ingediende stukken. De intrekking is een rechtmatig dwangmiddel om nakoming van de inlichtingenverplichting af te dwingen. De gevolgen van de intrekking zijn niet onevenredig in verhouding tot het doel. Het hoger beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand met ingang van 1 juli 2017 wordt bevestigd omdat appellante niet tijdig de gevraagde informatie heeft verstrekt.